Bulletin maart 2002 nr 4


Over de Stille Omgang door Mgr. J.M. Punt

Het is dinsdag in de Goede Week, 16 maart 1345.
IJsbrand Dommen, die in de Kalverstraat woont, is doodziek en een priester dient hem de sacramenten van de stervenden toe. Maar kort daarna moet de zieke braken, en zijn vrouw werpt het braaksel in het vuur, ongemerkt mét de H.hostie die de zieke juist had genuttigd. Als zij later het vuur wil opstoken ziet ze dat de H.hostie ongeschonden boven de vlammen zweeft.

De priester wordt snel teruggeroepen en constateert de feiten. Hij neemt de h.hostie mee naar de kerk, maar deze keert tot driemaal toe op wonderbare wijze terug naar het huis van de zieke. Dan begrijpt men dat de eucharistische Heer op de plek aanbeden wil worden en IJsbrand, die inmiddels zijn gezondheid heeft herkregen, staat uit dankbaarheid zijn huis af om er een kapel te bouwen. Bij de inwijding wordt de wonderbare hostie in een feestelijke processie overgebracht; het begin van de huidige traditie.

Het wonder heeft sterke papieren. Het is bekend dat het in die tijd serieus is onderzocht. De baljuw van Amstelland, ridder van Boeckhout, bevestigt de waarheid van de verhaalde feiten. Ook bisschop Johannes van Utrecht stelt een onderzoek in en komt tot het besluit dat er sprake is van een wonder en maakt het publiek.

Keizer Maximiliaan van Oostenrijk, die een grote devotie had voor het Heilige Sacrament, verleent de stad het recht om voortaan op het stadswapen de keizerskroon te voeren.

De kapel is in de loop der tijd door brand verwoest, maar iets verderop - op het Begijnhof - is toen een nieuwe kapel gebouwd, die tot op de dag van vandaag de herinnering aan het Mirakel en de verering van het Heilige Sacrament, levend houdt.

Dat inmiddels meer dan 650 jaar lang, dwars door Reformatie, secularisatie en ontkerstening heen de traditie van de Stille Omgang nog steeds bestaat en bloeit, lijkt me welhaast een tweede wonder te zijn. En het is goed dat dat zo is. Het zet de schijnwerper weer eens op dat magnifieke geheim van de eucharistie, dat in onze tijd - meen ik - toch te veel verbleekt is en weggedreven uit het centrum van het geloof en leven van veel mensen.

Toch hoort het daar thuis. In de kerk, de sacramenten, maar vooral in de eucharistie, plant het mysterie van Gods menswording zich voort, Zijn zichtbare en tastbare aanwezigheid onder ons, hoogste uitdrukking van Zijn liefde.
Maar alleen wie kijkt met de ogen van het geloof, en vooral van het hart kan het enigszins vatten. Alleen de liefde kan de liefde begrijpen. Alleen het hart kan aanvoelen hoever liefde kan gaan; dat Gods liefde voor de mens zo immens is, zo alles verterend, dat Hij gekozen heeft om alles voor de mens te zijn, zélf mens te worden, onder mensen te leven, voor de mens te sterven, tot voedsel van de mens te worden. Niet als een mooie gedachte of een symboliek, maar in de meest concrete werkelijkheid.

In de woorden van kardinaal Newman: -' brood en wijn houden op te bestaan en het heilig Lichaam en Bloed van Christus worden rechtstreeks gezien, aangeraakt en gedragen onder de gedaante van Brood en Wijn…' We raken hier aan de leer van de 'Transsubstantiatie', die door de nieuwe Wereld Katechismus nog eens bevestigd is.
' Onder de geconsacreerde gedaanten van brood en wijn is de levende en verheerlijkte Christus zelf aanwezig, op Waarachtige, Werkelijke en Wezenlijke wijze, Zijn lichaam en Zijn bloed, met Zijn ziel en Zijn godheid… de eucharistische tegenwoordigheid van Christus begint op het ogenblik van de consecratie en duurt zolang de eucharistische gaven blijven bestaan '.
Zó is God, Liefde die zich tot voedsel maakt. Dat is Zijn wezen, Hij kan niet anders.

Het is mijn diepste overtuiging : wat we allemaal ook kunnen doen en moeten doen om de kerk te vitaliseren, interne problemen te overwinnen, om nieuwe wegen te vinden voor evangelisatie en pastoraal, als we niet het geheim van de Heilige Eucharistie opnieuw ontdekken in al z'n grootheid en weer sterker planten in het hart van ons geloof en kerk zijn, zal alles vruchteloos zijn. (De bisschoppen van Nederland hebben daarom kortgeleden de brochure ' De ontmoeting met Jezus de Heer' uitgegeven om daarmee de liefde en eerbied voor de eucharistie te bevorderen.)
Paus Johannes-Paulus II heeft alle parochies ter wereld opgeroepen om voor het jaar 2000 weer tijden van aanbidding van het Allerheiligste in te stellen. Het is een oproep waar ik mijn van harte bij aansluit.

Mgr. J.M.Punt Samen Kerk maart 1999



DE LEER VAN DE OPENBARING

Boodschappen en verschijningen

Betekenis van kerkelijke goedkeuring
In de heilige Schrift en in de leer en de praktijk van de kerk vinden wij algemene richtlijnen voor een antwoord op de vraag : is dat nu een werkelijke verschijning of niet.
Een voorbeeld als inleiding : in Lourdes waren er mensen die direct in de verschijningen geloofden, anderen verzetten zich er tegen. De Pastoor van Lourdes houdt zich er buiten. Achteraf , na bijna 150 jaar, mogen we constateren dat vele gelovigen bij intuïtie juist geoordeeld hebben.Het wordt ook bevestigd door de verdere ontwikkeling en in het bijzonder door de goedkeuring van het kerkelijk gezag.

Deze goedkeuring door het gezag van de Kerk is van belang. Er zijn mensen die geloven, maar zij kunnen zich vergissen of misleid worden. Daarom moeten de herders van de kerk, de Bisschoppen, de zaak onderzoeken.Gewoonlijk gaan er jaren overheen. In het geval van Lourdes was de toenmalige pastoor zo voorzichtig om niet de schijn op zich te laden, dat hij er in geloofde. De gelovigen zouden immers hieruit - ten onrechte - kunnen afleiden, dat de kerk het al in zijn persoon goedkeurde.

Het geloof van de eenvoudige mensen speelt een rol : de Bisschop als Herder van de Kerk bevestigt uiteindelijk dat dit spontane geloof.. juist en verantwoord is of minstens dat er geen enkel bezwaar tegen is.

Er is tussen Lourdes en Amsterdam een verschil in de omstandigheden. Daar was vrijwel alles openbaar, hier waren de meeste verschijningen van de Vrouwe verborgen, alleen bekend aan enkele ingewijden. Nu heeft de kring van mensen die de boodschappen kennen zich over de hele wereld verbreed.

In 1951, het jaar waarin het gebed bekend werd gemaakt, is al een kerkelijke goedkeuring gegeven op de afbeelding en het gebed. Het "nihil obstat" wil zeggen : er is niets op tegen, dat deze afbeelding verspreid en dit gebed gebeden wordt. Er staan dus geen dwalingen in; het is niet tegen geloof en zeden.

De toenmalige bisschop van Haarlem, mgr. J.P.Huibers, geeft heel juist de stand van zaken weer, wanneer hij schrijft :
"Dat de heilige Maagd vereerd mag worden als Medeverlosseres en Middelares van alle genaden, en dat Zij de Koningin is van hemel en aarde en dus ook van alle volkeren, zal geen katholiek betwijfelen. De afbeelding van de "Vrouwe van alle Volkeren" kan goed worden verklaard en ook het gebed kan goed worden verstaan. Daarom is de kerkelijke goedkeuring .. niet geweigerd."(29 mei 1954 en 9 juli 1955).

Verder benadrukt mgr. Huibers, dat het oordeel , of dit gebed en deze voorstelling zijn ontstaan door wonderdadige tussenkomst van de heilige Maagd zelf, uitsluitend toekomt aan het bevoegde gezag.

Het is een allereerste vereiste om het oordeel te geven :"er is niets tegen", "het stemt overeen met de Openbaring en de leer van de kerk". Wanneer er ongezonde dingen of zelfs dwalingen beweerd worden, kan de zaak zeker niet bovennatuurlijk zijn. Zo geeft ook Johannes als teken van onderscheiding : "Iedere geest die Jezus Christus belijdt als gekomen in het vlees, is uit God; en iedere geest die Jezus ontbindt, is niet uit God" (1 Joh.4,2).


Bron : "Het zal met de jaren uitkomen" dr.G.Liesting s.s.s. 1974 2e druk, hfds.17