| Bulletin september
2002 nr 6
GEBEDSDAGEN in 2002
Van de negen gebedsdagen ter ere van de Vrouwe van alle Volkeren
die sinds ons vorige bulletin inmiddels in diverse landen hebben
plaats gehad, is het onmogelijk in dit korte bestek een verslag
van alle negen te geven. We maken een uitzondering voor die in
Amsterdam en die in Keulen.
In Nederland werd op 8 juni de Tweede Nederlandse Gebedsdag gevierd
in de Amsterdamse Jaap Edenhal, die met vele fraaie bloemen en
bloemstukken prachtig was versierd. Ongeveer tweeduizend mensen
uit Nederland en België waren hier naar toe gekomen.
Aanwezig vanuit Rome was Zijne Eminentie Ignace Moussa kardinaal
Daoud, prefect van de Congregatie voor de Oosterse Godsdiensten,
voorheen patriarch van Antiochië in Syrië. De bisschop
van Haarlem, Mgr. Jozef M. Punt, maakte, bij de opening van de
eucharistieviering, tot ieders verrassing, bekend, dat hij de
bovennatuurlijke aard van de verschijningen erkent. De aanwezigen
gaven onder luid applaus uiting aan hun vreugde hierover. Deze
erkenning sierde de feestelijk gebedsdag, die hierdoor in een
bijzonder licht kwam te staan.
Na de feestelijke intocht van de vlaggen van de twaalf Nederlandse
provincies, alsmede van de vijf continenten - die in Amsterdam
toch al ruim vertegenwoordigd zijn - waardoor de titel van Maria
als de Vrouwe van alle Volkeren extra nadruk kreeg, volgde de
Pontificale Hoogmis met Mgr. Punt als hoofdcelebrant bijgestaan
door meer dan twintig priesters.
Predikant was kardinaal Daoud, die de zegen van de Paus overbracht.
In zijn preek gaf hij aan dat de titel de Vrouwe van alle Volkeren
(…) een getrouwe echo en een logisch gevolg is van haar
eigen profetie: ‘alle geslachten zullen mij zalig prijzen’.
‘Als fundament voor onze devotie tot Maria moeten we altijd
uitgaan van Maria’s roeping Moeder van Jezus te zijn.’
De Kardinaal besloot met een gebed tot de Moeder van alle Volkeren
en vroeg Maria om ‘vrede in onze tijd, vooral in het Heilige
Land, in Jeruzalem, in Bethlehem’.
In de middag kregen de zieken gelegenheid de ziekenzegen te ontvangen,
waarvan velen gebruik maakten: treffend was dat zowel de Kardinaal
als mgr. Punt velen hun persoonlijke zegen hebben gegeven.
De dag werd afgesloten met een plechtig Lof. Om 17.00 uur ging
iedereen geestelijk gesterkt en met vreugde in het hart huiswaarts.
Duitsland
In de Keulen-Arena vond op 22 juni 2002 de Tweede Duitse Gebedsdag
plaats, waaraan ongeveer vijfduizend pelgrims uit alle delen van
Duitsland deelnamen.
Een verrassing was de komst van mgr. Punt naar Keulen, om er
te vertellen over de verklaring die hij op 31 mei had gegeven
betreffende de authenticiteit van de verschijningen van de Vrouwe
van alle Volkeren. De juist uitgekomen brochure over de verklaring,
de oorsprong en de betekenis van de boodschappen, werd door velen
aangeschaft als een welkome toelichting op de verklaring van de
bisschop. (Zie pag. 6 voor informatie over de brochure.)
Ook in Keulen was de bisschop van Haarlem de hoofdcelebrant met
ruim vijftig concelebrerende priesters. Voorts waren er op deze
dag nog bisschoppen aanwezig uit Rome, Libanon, Nigeria, India,
Pakistan, Uruguay en een Archimandriet uit Wit Rusland.
Zo kreeg ook deze gebedsdag ter ere van de Vrouwe van alle Volkeren
een feestelijk internationaal karakter.
Auteur: Th. van M.
CITAAT uit de preek
Zijne Eminentie Ignace Moussa kardinaal Daoud, Prefect van de
Oosterse Kerken, tijdens de Nederlandse gebedsdag van de Vrouwe
van alle Volkeren op 8 juni 2002.
‘…Het Concilie van Efese (431 na Chr.) verklaart
het plechtig: "Maria, Moeder van God - Theotokos -, en in
het Oud -Syrisch: Yoldat Aloho! Vervuld van vreugde, lopen de
gelovigen met brandende fakkels door de straten van Efese om deze
triomf te vieren…" Maria, Moeder van Jezus, Moeder
van God, Moeder van Johannes, Moeder van elke christen, bijgevolg,
Moeder van de Kerk. De Kerk is het Mystiek Lichaam van Christus.
De Moeder van het Mystiek Lichaam van Christus kan niemand anders
dan de Moeder van de Kerk zijn.
Het wachten was alleen nog op de visioenen van Amsterdam om het
beeld compleet te maken en Maria uit te roepen tot de Vrouwe en
Moeder van alle Volkeren. Dat is geen aanroep, maar de vrucht
van een ononderbroken christelijke traditie die, zoals we hebben
gezegd, verzonken ligt in de profetie van Maria zelf: "alle
geslachten zullen mij zalig prijzen". Ja, zalige, zoete Maagd
Maria, hier zijn wij verzameld rond uw glorierijke troon, herders,
gelovigen, religieuzen, om u te zeggen hoe trots wij erop zijn
u Moeder van Jezus, Moeder van de Schepper, Moeder van de Verlosser,
Moeder van God te mogen noemen. Wat een eer voor ons om uw kinderen
te mogen zijn. Wat een genade om u als Moeder te hebben. U, Maria,
bent onze Voorspreekster, onze Middelares en onze Medeverlosseres
met Jezus! (…)’
BIJ HET HERDELIJK SCHRIJVEN VAN 1943
In bulletin 2 hebben we de ‘Mededeling’ (31 mei 1996)
afgedrukt van mgr. Bomers en mgr. Punt, waarbij de openbare verering
van Maria als de Vrouwe van alle volkeren wordt vrijgegeven. In
het derde bulletin stond de officiële toelichting (aug. 1996)
van mgr. Bomers op de eerdere ‘Mededeling’, waarin
hij de beslissingsbevoegdheid van de bisschop benadrukt: de bevoegdheid
namelijk om te oordelen over het al dan niet bovennatuurlijk karakter
van vermeende verschijningen binnen zijn diocees. En inderdaad
heeft mgr. Punt in het geval van de Vrouwe van alle Volkeren de
bovennatuurlijkheid erkend.
In dit bulletin willen wij de aandacht vestigen op een herderlijk
schrijven uit 1943, in het midden van de oorlog dus, waarin het
episcopaat het waarom uitlegt van de a.s. toewijding van ons land
aan het Onbevlekt Hart van Maria. Wat opvalt is de eensgezindheid
van de bisschoppen. Deze brief is op 15 augustus 1943 in alle
Nederlandse kerken voorgelezen.
Aanleiding voor de brief is de radiotoespraak van Paus Pius XII
(31 okt. 1942), die de mensheid toewijdt aan het Onbevlekt Hart
van Maria. In Nederland heeft deze plechtige toewijding, door
de Nederlandse bisschoppen, plaatsgevonden op 3 oktober 1943.
De bisschoppen gaan in op de vraag welke plaats en taak Maria
heeft binnen de heilsorde in het Gods Rijk. In de hier afgedrukte
brief blijkt duidelijk de inhoudelijke relatie met de boodschappen
van Amsterdam.
Uitvoerig wordt gesproken over de deelname van Maria aan het
verlossingswerk; ‘Zij heeft daarin een mede-verlossende
en mede-heiligende taak’, waarbij Zij ‘volkomen afhankelijk
is van Jezus Christus’. Ook komt de bemiddelende en voorsprekende
rol van Maria ter sprake. Richt men het oog op de boodschappen
van de Vrouwe, die vanaf 1945 gegeven werden, dan valt op dat
de titels Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster een centrale
plaats innemen en als het ware een bevestiging en uitwerking zijn
van voornoemd bisschoppelijk document. Ook het gebed en de afbeelding
zijn voorbereiding en uitbeelding van het gevraagde dogma.
de redactie
HERDELIJK SCHRIJVEN van het Nederlandsch
Episcopaat, waarin de Toewijding van Nederland aan het Onbevlekt
Hart van Maria op Zondag 3 october 1943 wordt aangekondigd.
Beminde geloovigen,
6 Augustus 1943
Op 31 October van het vorig jaar heeft onze H. Vader Paus Pius
XII het menschdom toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria.
Wij handelen zeker in zijn geest, als Wij zijn voorbeeld voor
Nederland volgen. Tevens voldoen Wij daardoor, gelijk Wij met
vreugde hebben mogen vaststellen, aan het vurige en uitgesproken
verlangen van zeer veel geloovigen.
Wij zullen deze plechtige Toewijding doen op den eersten Zondag
van October. Het spreekt vanzelf, dat zij de uitdrukking moet
zijn van een innerlijke gezindheid en bereidheid des harten. Daarom
zal het noodig zijn, dat wij ons zoo goed mogelijk voorbereiden.
En om voor deze voorbereiding een grondslag te leggen, gaan Wij
U thans een korte uiteenzetting geven over de plaats en de taak
van O.L. Vrouw in de heilsorde, en over de beteekenis der Toewijding
aan het Onbevlekte Hart van Maria.
Beminde geloovigen, hoe staat Maria in de heilsorde? De Allerheiligste
Drievuldigheid koos Maria uit tot Moeder van het Woord, dat mensch
zou worden. Zij maakte Maria tot een ‘dignum Filii habitaculum’
(Gebed na het Salve Regina), een waardige woonplaats voor den
mensch-geworden Zoon van den Allerhoogste. De groetenis van den
Engel - ‘Ave, gratia plena’ (Luc. 1,28), Wees gegroet,
vol van genade - welke de echo was van de gedachte van den Vader,
wijst ons met een machtige suggestie op de volheid der begenadiging,
die aan de Moeder des Heeren ten deel viel. Haar heiligheid zou
beantwoorden aan haar waardigheid. Daarom werd Zij ‘met
het oog op de verdiensten van Jezus Christus in het eerste oogenblik
van haar ontvangenis voor elke smet bewaard’ (Pius IX, Ineffabilis
Deus). Daarom bleef Zij door een bijzonder voorrecht van Gods
goedheid vrij van iedere, ook de kleinste persoonlijke zonde.
Daarom bleef Zij ook vrij van de ‘fomes peccati’,
den prikkel der zonde, waardoor haar lagere vermogens in vollen
vrede en harmonie onderworpen waren aan haren geest, die zoo zuiver
op God gericht was. Daarom zorgde de Allerheiligste Drievuldigheid,
dat Zij, die op maagdelijke wijze haar Goddelijk Kind van den
H. Geest had ontvangen, even maagdelijk en ongeschonden zou blijven
bij en na de geboorte van dat Kind. Daarom ten slotte werd Zij
met zulk een rijkdom van genade en hemelsche schoonheid begiftigd,
dat Zij terecht 'vol van genade' genoemd wordt, en werd Zij na
haar dood, ook met haar lichaam, opgenomen in den hemel waar Zij
nu troont als de ‘Regina Sanctorum omnium’ (Lit. van
O.L. Vrouw), de Koningin van alle Heiligen, volkomen waardig om
de ‘zaligprijzing van alle geslachten’ in ontvangst
te nemen.
Waarlijk, Maria, Gij zijt ‘geheel schoon-tota pulchra’.
Dat is Uw eerste triomf over den satan, die door Gods uitverkiezing
en genade geen vat op U heeft kunnen krijgen. Dat was de eerste
‘tegenstelling tusschen satan en de Vrouw’ (Gen. 3,15),
een tegenstelling, welke in een triomf van heiligheid eindigde.
Het beeld der geestelijke schrijvers is zoo schoon en juist:
God bewaarde den gouden kelk van Maria's Hart, waarin zijn eigen
Zoon moest rusten, niet alleen tegen alle vlek, maar vulde hem
ook boordevol met den wijn der goddelijke liefde en genade. En
wij mogen het woord, dat de ‘Almachtige groote dingen aan
Haar heeft gedaan’ even goed verstaan van haar genadevolheid
en heiligheid als van haar uitverkiezing tot de Moeder Gods.
Daarbij bleef het echter niet.
De H. Kerk, die de ‘columna et firmamentum veritatis -
zuil en grondslag der waarheid’ (I Tim. 3,15) is, en die
met goddelijke opdracht en onder leiding van den H. Geest de waarheden
der openbaring leert, houdt ons met steeds meer aandrang en duidelijkheid
voor, dat Maria nog een anderen triomf op satan behaald heeft
en behalen zal.
Zij leert ons, dat de Moeder van den Verlosser tevens ingeschakeld
werd in het groote werk der Verlossing; dat de tegenstelling tusschen
Haar en den duivel niet alleen Haar zelf betrof, maar tevens de
zielen gold, die door de zonde in de slavernij van den duivel
waren gekomen en altijd door hem belaagd worden; dat zij mede
mocht werken met Jezus Christus zoowel ter verkrijging van de
genade der Verlossing als ter toepassing daarvan.
Zij leert ons, dat God Maria niet alleen maakte tot Moeder van
zijn eeniggeboren Zoon, maar ook tot Moeder der menschen, tot
de ‘Mater divinae gratiae - de Moeder der goddelijke genade’.
Alvorens U den zin van deze even troostvolle als vruchtbare waarheid
eenigszins nader te verklaren, moeten wij, om haar goed te verstaan,
voorop stellen, dat Maria in deze mede-verlossende en mede-heiligende
taak volkomen afhankelijk is van Jezus Christus. Er is immers
maar 'één God, en ook één Middelaar
tusschen God en de menschen, de Mensch Jezus Christus, die Zich
gaf als losprijs voor allen’ (I Tim. 2, 5). ‘Zonder
Hem kunnen wij niets doen’(Joh. 15,5). Zonder Hem kan ook
Maria niets doen. Hoe ingrijpend en universeel Maria’s taak
in de heilsorde ook is, Zij is daarin geheel afhankelijk van de
Verlossing en de verdiensten van haar Zoon Jezus Christus. Gelijk
Zij met het oog op zijn verdiensten onbevlekt werd ontvangen en
door zijn liefdevolle bevoorrechting groeide tot de volheid der
genade, zoo oefent Zij ook alleen in de kracht van zijn verdiensten
haar taak als mede-verlosseres en moeder der menschen uit. Ook
moeten wij ons, in denzelfden geest, er altijd van bewust blijven,
dat alles wat wij voor Maria doen, uiteindelijk gedaan wordt voor
Jezus Christus. Als wij tot Haar bidden, als wij Haar vereeren,
als wij Haar beschouwen als onze Moeder en Koningin, komt ten
slotte toch alle glorie aan Hem, die ‘groote dingen aan
Haar heeft gedaan’ (Luc. 7, 49). Het is een groote en zeer
misleidende dwaling te meenen, dat wij, door tot Maria te gaan,
niet of slechts langs een omweg naar Jezus zouden gaan. Er is
geen rechtere weg dan die, welken God zelf heeft aangelegd. De
Drieëenheid regelde alles zóó in het Rijk der
genade, dat de toegang tot het Goddelijk Hart van Jezus, ‘fons
vitae et sanctitatis - bron van leven en van heiligheid’
(Lit. van het Allerh. Hart van Jezus), het best verkregen wordt
door het Onbevlekt Hart van Maria, de ‘pervia coeli porta
- de open deur van den hemel’ (Alma Redemptoris Mater).
Meer en meer dringt Goddank de waarheid omtrent de taak van Maria
bij het verlossingswerk en de heiliging der zielen door tot het
bewustzijn der geloovigen. Steeds beter leerden wij Haar kennen
als deelgenoote van den Verlosser, die haar deel mocht voegen
bij de hoogste voldoeningsdaad van Jezus Christus. Zoo leerde
ons Paus Leo XIII, dat ‘Zij de deelgenoote was van Jezus
bij het allermoeizaamste werk der uitboeting voor het menschelijk
geslacht’ (Leo XIII, Jucunda semper). En Paus Benedictus
XV zeide niet minder duidelijk, dat ‘Zij aldus met haar
lijdenden en stervenden Zoon geleden heeft, en om Gods gerechtigheid
te voldoen, zooveel het Haar aanging, haar Zoon heeft geofferd’
(Benedictus XV, Inter Sodalicia). Scherper en klaarder drong de
waarheid tot ons door, dat de Moeder der menschen het heil van
haar kinderen mede heeft verdiend. Zoo zeide Paus Pius X zonder
schroom: ‘Omdat Zij alle anderen overtreft in heiligheid
en vereeniging met Christus, en door Christus is verbonden aan
het werk van de Verlossing der menschen, verdient Zij, wat men
noemt, billijkheidshalve, wat Christus in den vollen zin des woords
heeft verdiend’ (Pius X, Ad diem illum). Dit mede-voldoen
en dit mede-verdienen vond in de eerste plaats zijn verwezenlijking
in haar smartelijk mede-lijden. Zoo zeide Paus Benedictus XV op
de reeds aangeduide plaats: ‘Zoo danig namelijk heeft Zij
met haar lijdenden en stervenden Zoon medegeleden, en is Zij met
Hem als gestorven, zoozeer heeft Zij afstand gedaan van haar moederrechten
op haar Zoon, en om Gods gerechtigheid te voldoen, zoover het
Haar aanging, haar Zoon geofferd, dat men terecht van Haar zeggen
kan, dat Zij met Christus het menschelijk geslacht heeft verlost’
(Benedictus XV, Inter Sodalicia).
God had bij dit alles ook deze bedoeling, dat Maria, die mede-verlosseres
zou zijn ter verkrijging van de genaden der Verlossing, ook deelgenoote
en hulpe zou wezen bij de uitdeeling en toepassing dier genaden.
Het is zooals de H. Kerkleeraar Albertus de Groote het treffend
heeft gezegd: ‘Om Haar het loon te kunnen geven, wilde haar
Zoon Haar ook in de verdienste van het lijden doen deelen, en
om Haar aan de weldaad der Verlossing deelachtig te doen zijn,
maakte Hij Haar ook deelgenoote in de lijdensstraf, opdat Zij,
gelijk door haar mede-lijden een hulpe in de Verlossing, aldus
ook aller Moeder zou worden door hernieuwing’ (S. Albertus
Magnus, Mariale Qu. 150). Zoo werd Maria door Gods heilig bestel
‘de algemeene uitdeelster van alle goederen’ (Mariale
Qu. 29). Zoo werd Zij, ‘als hemelsch kanaal, waardoor stroomen
van genaden en gaven de armzalige stervelingen in den schoot gevoerd
worden’ (Benedictus XIV, Gloriosae Dominae).
Zoo heeft ‘Christus, die alleen de Middelaar is van God
en de menschen, Zich zijne Moeder willen toevoegen als voorspreekster
der zondaars, als bedienares en middelares der genade’ (Pius
XI, Miserentissimus Redemptor). Zoo werd Maria in waren zin de
Moeder der menschen, door wie de rechtvaardigen mede het leven
krijgen, door wier handen dat leven verzorgd wordt, die als ‘smeekende
almacht’ voor het behoud en den groei van dat leven bidt,
en die eindelijk als Koningin, tronend naast den Koning der Heerlijkheid,
hen, die dat leven bewaren, opneemt en kroont ten eeuwigen leven.
Ziedaar, beminde geloovigen, in korte trekken de plaats en de
taak van Maria in de heilsorde, in het Godsrijk.
Laat Ons nu nog even verklaren wat Wij bedoelen, als Wij ons aan
deze Moeder en Koningin toewijden. In het kort kan men zeggen,
dat zulke Toewijding drie dingen behelst: vooreerst de geloovige
en openlijke erkenning van Maria’s plaats in de heilsorde,
zoowel voor ons zelf als voor het geheele menschdom; ten tweede
de innige en openlijke uitdrukking van het nemen van onze toevlucht
onder haar moederlijke en koninklijke bescherming; ten derde de
hartelijke en openlijke belofte, dat wij als haar toegewijde kinderen
en dienaren willen leven, voor haar eer en haar Rijk willen strijden.
De Toewijding is dus allereerst een daad van geloovige en openlijke
erkenning. Wij zien dan op naar Haar, als naar de heilige Moeder
van Jezus, de Moeder van God, aan wie heel bijzondere eer en vereering
toekomt. Wij erkennen Haar dan als de Mede-verlosseres, aan wie
wij en alle menschen het heil mede te danken hebben. Wij begroeten
Haar dan als de Middelares, door wier handen alle genaden tot
ons komen. Wij erkennen Haar dan openlijk en luide als de Moeder
der menschen, die voor ons kan en moet zorgen; als de ‘Hulp
der Christenen’ (Lit. van O.L. Vrouw), die ons moet redden.
Wij erkennen Haar dan ook en met liefdevolle bewondering als onze
Koningin, die ons ten eeuwigen triomf wil voeren, aan Wie wij
zelf en al het onze toebehoort.
De Toewijding is vervolgens een daad van geloovig en openlijk
vertrouwen. ‘Sub tuum praesidium confugimus, sancta Dei
Genitrix - onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, o heilige
Moeder van God’ (Passim.). En dat doen wij in dezen tijd
meer dan ooit. Daarin is ons onze H. Vader de Paus in zijn plechtige
Toewijding treffend voorgegaan, als hij zegt: ‘Vereenigd
met de heilige Kerk, het mystieke lichaam van uw Jezus, dat op
zooveel plaatsen lijdt en bloedt en zoo hevig wordt beproefd,
vereenigd ook met de geheele wereld, die door wilde vijandschap
verscheurd en door vlammenden haat verteerd wordt, en aldus het
slachtoffer is van haar eigen ongerechtigheid - vertrouwen en
wijden wij ons aan uw Onbevlekt Hart toe op deze bange stonde
in de geschiedenis der menschheid’. Juist hier, beminde
geloovigen, bouwen wij met onze Toewijding op een groote traditie,
die in alle groote nooden der historie uitkomst zocht en uitkomst
vond bij de ‘Hulp der Christenen’ (Pius XII, Radioboodschap
aan Portugal van 31 October 1942).
De Toewijding moet ten slotte zijn een mannelijke toezegging
van trouw en dienstbaarheid aan de Koningin van hemel en aarde.
Wie deze schrede zet, moet zich ook metterdaad een toegewijd kind,
een trouwe dienaar toonen. Hij moet medewerken in zijn eigen ziel
en leven, aan de opbouw van het ‘Rijk van waarheid en leven,
van heiligheid en genade, van gerechtigheid, liefde en vrede’
(Praefatie op het feest van Christus Koning), waarvan Jezus de
Koning en Maria de Koningin is. Hij moet dat Rijk mede trachten
uit te breiden onder de menschen, door naastenliefde en apostolaat,
door Katholieke Actie in eigen land en Missie-Actie voor vreemde
landen. En dat alles, beminde geloovigen, ter eere van Maria,
‘opdat haar naam en bescherming den triomf van het Rijk
Gods mogen bespoedigen, en opdat alle volkeren, met elkaar en
met God verzoend, Haar zalig mogen prijzen en van het eene uiteinde
der aarde tot het andere met Haar mogen aanheffen het eeuwig Magnificat
van eer en liefde en dank aan het Hart van Jezus, in wien zij
alleen de waarheid, het leven en den vrede kunnen vinden’
(Pius XII t.a.p.)
En zal dit Ons gezamenlijk herderlijk schrijven op Zondag 15
Augustus a.s., den feestdag van O.L.Vrouw ten Hemelopneming, in
alle tot Onze Kerkprovincie behoorende kerken en kapellen, waarover
een Rector is aangesteld, onder alle vastgestelde H.H. Missen
op de gebruikelijke wijze worden voorgelezen.
Gegeven te Utrecht den 6den Augustus van het jaar O.H. 1943.
Z.H. Exc. mgr. dr. J. de Jong – Z.H. Exc. mgr. P.A.W. Hopmans
– Z.H. Exc. mgr. dr. J.H.G. Lemmens – Z.H. Exc. mgr.
J.P. Huibers – Z.H. Exc. mgr. W.P.A.M. Mutsaerts
|