Bulletin maart 2003 nr 8


AMSTERDAM, DE VIJFDE INTERNATIONALE GEBEDSDAG

In het afgelopen jaar heeft in een brief van 31 mei 2002 mgr dr J.M. Punt, die als diocesaan bisschop de primaire verantwoordelijkheid heeft, laten weten dat hij na adviezen te hebben ingewonnen en de eerdere onderzoeksresultaten te hebben bestudeerd tot de vaststelling komt dat in de verschijningen van Amsterdam een bovennatuurlijke oorsprong gegeven is.
Deze erkenning vond in de gehele wereld grote weerklank bij vele bisschoppen, priesters en gelovigen, zoals ook de nationale gebedsdagen van de laatste jaren. In alle continenten zijn duizenden bijeen geweest rond de afbeelding van Maria als de Vrouwe van alle Volkeren.
Na de erkenning werd de vraag sterker om opnieuw een internationale gebedsdag in Amsterdam te houden. Positieve reacties kwamen al van verschillende kanten binnen, onder andere uit Rome van Ignace Moussa Kardinaal Daoud, de prefect van de Congregatie voor de Oosterse Kerken, die aanwezig zal zijn.

Oktober jl. heeft onze H. Vader de Paus in zijn apostolisch schrijven De Rozenkans van de Maagd Maria dit jaar uitgeroepen tot het jaar van de Rozenkrans. Ook heeft hij een rozenhoedje toegevoegd met ter overweging de vijf Geheimen van het Licht. Het thema van de vijfde internationale gebedsdag luidt:

“de Vrouwe van alle Volkeren en het Jaar van de Rozenkrans”.

De gebedsdag zal worden gehouden in de Parkhal van de Rai, een andere hal dan de jaren hiervoor (klik hier voor meer informatie).

 


DE OOGGETUIGE


Op 4 december 2002 overleed in Nijmegen de pater jezuïet Joseph Maria Arnold Spauwen. Pater Spauwen, die 95 jaar werd, was een goede bekende van Ida Peerdeman. Op de eerste nationale gebedsdag van de Vrouwe van alle Volkeren in de Amsterdamse Jaap Edenhal in 2001 legde hij nog in het openbaar getuigenis af van Ida’s betrouwbaarheid. Ter nagedachtenis aan zijn overlijden is het hier volgende, van 11 september 2001 daterende verslag, waarvan hij zei dat het na zijn dood openbaar mocht worden gemaakt.

‘…De jaren na de oorlog begon ik er iets over te horen. Ik woonde toen in Amsterdam. Het was ene meneer Bos, familie van Ida Peerdeman, die mij vroeg of ik meer wilde weten. Ja, zei ik, als Onze Lieve Vrouw spreekt, vooral nu er moeilijkheden in de Kerk komen, luister ik graag. Het was 1947, en achteraf bezien bleek dat in dat jaar het modernisme voor het eerst de kop opstak, en ik was nieuwsgierig naar wat Onze Lieve Vrouw daarover te zeggen had.


Ik vroeg meneer Bos dus waar Ida woonde, en hij zei me in de Uiterwaardenstraat, nummer 408. Op een zondag ging ik er naar toe, en heb ik met haar gesproken. Later dacht ik: dat kan ze nou wel zeggen, maar is het waar? Ik besloot af te wachten tot er nieuwe boodschappen kwamen en er meer duidelijkheid zou zijn. Ze heeft me toen enkele boodschappen, tot en met die van 1947, bij haar thuis laten lezen. Die had ze uitgetypt. Maar nog dacht ik: is het van de hemel? Laat Onze Lieve Vrouw dat duidelijk maken. Wat me van de eerste boodschappen intrigeerde, was dat het met Holland te maken had. Wat me hinderde, was de privéstijl van Ida Peerdeman. Het was háár manier van schrijven, niet de taal van Onze Lieve Vrouw. Daar had ik moeite mee. Wat me frappeerde, was dat Zij de toestand van het geloof in Nederland haarscherp weergaf. Maria zei: deze paus (Pius XII) zal aangevallen worden, niet van buiten, maar van binnenuit. En zo dacht ik ook. Het modernisme begon in Nederland, en ik merkte dat de Heilige Vader zou worden aangevallen. Dàt stond in de boodschappen tot 1947, en later.


Het geloof stond op de helling, het werd ondermijnd, en meer dan men vermoedt. Het wordt straks zo erg - stond in de boodschappen - dat uw geestelijke leiders zullen zeggen: "Wij weten het niet meer", en dat is onlangs letterlijk gezegd op de laatste CRK-dag (Utrecht, 23 juni 2001) door de kardinaal: "De Kerk bevindt zich in een diepe crisis. Wij weten het niet meer!"


Ook Paulus VI zou worden aangevallen. Het ging niet zozeer om de persoon, maar om het pausschap, om het Geloof. In de boodschappen stond de paus bij Maria zeer hoog aangeschreven. Als theologen ijdel zijn, en eerzuchtig, hoogmoedig, vervlakken ze zijn geloof en gaan ze afwijken van de leer. Dat zie je niet alleen bij theologen, maar ook bij gewone priesters. En in 1947 begonnen ze op de seminaries al verkeerde theorieën te verkondigen, dingen die uit hun eigen koker kwamen. Daar kwam ik ook via mijn broer achter, een pastoor die in Roermond in contact stond met theologanten. Later hebben ze bisschop Gijsen ontslagen omdat hij een boek van honderdvijftig jaar geleden prees. Het was een boek van de bisschop van Tongeren, die in zijn diocees als enige grote toeloop van priesterstudenten bleef houden omdat hij aan het leergezag vasthield, terwijl de andere bisschoppen nieuwlichterijen aanhingen. Gijsen deed wat die bisschop van Tongeren had gedaan, en daardoor kreeg hij de professoren tegen zich, en begon men kwade dingen over hem te zeggen - hetgeen dus uiteindelijk uitliep op zijn overplaatsing (verbanning) naar IJsland.


Ida zelf had geen benul van wat ze te horen kreeg, ik evenmin. Pas later werd me duidelijk hoe het modernisme toen al huishield. Tot 1959 heb ik met haar contact gehad. In dat jaar verliet ik Amsterdam, maar vóór die tijd werd ik regelmatig opgebeld, en ging ik naar haar huis toe. Ze was inmiddels verhuisd naar de Diepenbrockstraat, nummer 3. Daar ben ik meer malen geweest. Ik ontdekte hoe langer hoe meer. Zelf heb ik ook een verschijning meegemaakt. Dat was op 31 mei 1955. Maria had gezegd:

nu kom ik in het openbaar; niet `s ochtends in de heilige mis, maar `s avonds, in het lof. Samen met pater Frehe, haar leidsman, was ik naar de bisschop gegaan: of het schilderij in de kerk mocht. Dat was in 1954. De bisschop, mgr Huibers, vond het goed, dus kwam het schilderij in de Thomas (Rijnstraat), ter publieke verering.


Ik ben die avond naar de Thomas-kerk gegaan, 31 mei 1955 dus. De kerk was stampvol, en met veel moeite vond ik nog één plaats open, op de vijfde of zesde rij van achteren, rechts voor de kapel waar het schilderij hing. Ik had de kapel achter mijn rug, en onder het bidden van het rozenhoedje hoorde ik plotseling spreken in het kapelletje, zachtjes, maar mijn oren waren goed. Dat is Ida, dacht ik…

(wordt vervolgd)

 


DE AMSTERDAMSE VERSCHIJNINGEN EN DE EUCHARISTIE


Pater Amandus Korse O.F.M., minderbroeder, was de laatste biechtvader van Ida Peerdeman († 17-06-'96). Tot in 2001 droeg hij regelmatig de H.Mis op in de kapel aan de Diepenbrockstraat. Van zijn hand is het aangrijpende boek Vaarwel Christendom uit 1990.


Zoekende naar het onderling verband gaan we uit van de veronderstelling dat de lezer niet alleen op de hoogte is van de Amsterdamse verschijningen uit halverwege de twintigste eeuw maar ook kennis heeft genomen van het bovennatuurlijk karakter daarvan zoals dit door de plaatselijke bisschop, krachtens delegatie van de paus - aldus vastgelegd in Vaticanum II - juni 2002 officieel is uitgesproken. Wat genoemde verschijningen betreft, deze staan in het apocalyptisch licht van het Einde der Tijden en wel in de eerste aanvangsfase daarvan. Bij hun totaalbeeld behoren ook de Eucharistische Belevenissen van de zienster. Dat wil zeggen dat deze daar niet van gescheiden kunnen worden. Wie dat toch doet - om welke reden dan ook - scheurt een gewichtig document in twee stukken en bergt de ene helft in zijn privé-safe op. Genoemde Belevenissen behoren tot het ‘nacontact’ dat Maria de zienster uitdrukkelijk heeft toegezegd zodat wij deze niet zomaar van de eerdere Boodschappen mogen gescheiden houden alsof ze er buiten staan.


Ontelbaren zullen Haar leren kennen

Behalve apocalyptisch, zijn de Boodschappen ook totaal mondiaal, diep theologisch, uitgesproken profetisch en opvallend eucharistisch. In de mondialiteit is tevens een speciale gerichtheid tot Nederland. Geen enkele Maria-verschijning, waar ter wereld ook, is ooit zo wereldomvattend geweest als deze in Amsterdam. Dit bezoek van de Moeder Gods aan onze Aarde kenmerkt zich dan ook door een gewichtige betekenis voor heel het levende mensdom. Dat uitdrukkelijk-wereldomvattende staat niet expliciet in de beschrijvingen van dit gebeuren. Wij willen slechts aanvullen en zijn ervan overtuigd dat anderen weer onze ideeën zullen vervolledigen. We vermoeden dat ‘de Amsterdamse Boodschap’ zó groot is dat ze nooit tot op haar grond te peilen is, en vandaar dat zij zoveel omhulde woorden bevat. Ze is diep theologisch alleen al om het feit dat degene die haar bracht als gevolmachtigde verschijnt van de Vader, de Zoon en de heilige Geest en ons mededeelt en blijft mededelen dat de tijd voorbij is waarin Zij slechts door een kleine groep vereerd en aangeroepen wordt met de naam Maria. Zij is niet slechts de Moeder van deze kleine kudde, Haar Moederschap bestrijkt het hele mensdom, van de eerste mens af tot de laatste. Die verering met de naam Maria zal EENS overgaan naar een verering en aanroepen van alle volkeren, van welke religie of ras dan ook. Zij zal daarom nu vast de titel dragen, tevens roepnaam, van de Vrouwe van alle Volkeren. En dat ‘Vrouwe’, zo voegt Zij er nadrukkelijk aan toe, betekent moeder als kooswoordje. Even intiem dus en even vertrouwelijk als het woord Maria. De titel wijst niet alleen op macht, maar ook op intimiteit. Tegelijk met haar nieuwe naam, reikt Zij al deze nieuwe kinderen die altijd haar kinderen zijn geweest ook een nieuw gebed toe. Daarmede verwelkomt Zij hen reeds vanuit de verte met uitgestrekte handen. Het is een kort gebed, maar het bevat heel het oorspronkelijke Christendom! Het kan overal en op elk ogenblik van de dag worden gebeden. Het bezit de kracht, zegt Ze, die boven al onze vermoedens uitgaat. En dit gebed moet ook die kleine kudde bidden, die kleine kudde van Maria-vereerders. Ja, Zij draagt ons zelfs op om door dat gebed de heilige Geest af te roepen en het tevens te verspreiden naar alle windstreken.


Het EENS-zinnetje is het bewijs

In deze kernbede komen ook de woorden voor ‘DIE EENS MARIA WAS’. Ze bevatten daarom, in bovengenoemd verband, een profetie en hebben niets te maken met naamsverwisseling. Ze zijn een profetische aankondiging van een nieuw mariaal tijdperk, waarin Zij aangeroepen zal worden, niet alleen door een onafzienbare menigte die Haar nooit gekend heeft, of heeft willen kennen, maar ook door een ontelbare massa die Haar eens heeft afgewezen maar nu weer ‘huiswaarts’ keert! Met andere woorden de kleine Maria-kudde van eens zal overgaan in drommen van mensen die niet te tellen zullen zijn. Dat is de diepe zin van dat woordje EENS in genoemd gebed. En deze diepe zin is meteen het bewijs dat die kernachtige bede niet van menselijke makelij kan zijn. En toch wordt tot op de dag van vandaag zowel door bisschoppen als priesters, religieuzen en goede gelovigen ‘de Amsterdamse Boodschap’ alleen al om dat EENS-zinnetje afgewezen! Laten we hopen dat het onwetendheid is, en geen arrogantie, want deze karaktertrek wijst alle logica af en zelfs alle geloof.


Een apocalyptische strijd waar hemel en aarde in betrokken zijn

Het theologisch karakter komt sterk en continu in de Verschijningen naar voren. Maria is de koningin van de theologen, uiteraard van de goede theologen, want van de valse godgeleerden is heel iemand anders de koning. Soms zegt Ze, ‘luister theologen’! Ze betreedt niet alleen het dogmatisch pad - bijvoorbeeld in haar uitleg over het nieuwe dogma betreffende haar eigen persoon - maar, is ook dè exegeet zoals in de bekende Genesistekst (3,15) waarover Ze uitdrukkelijk zegt dat deze alleen op Haar van toepassing is! Er zijn zelfs politieke voorzeggingen bij! Tekenend voor het authentieke hiervan is dat de zienster van Maria te horen krijgt, midden in de hoogbloei van het Katholicisme, dat kerken en kloosters leeg komen te staan en het geloof op een uiterst geraffineerde wijze verwrongen en verdraaid zal worden. Ze spreekt zelfs van een verwording van normen en vormen. Ook voorzegt Ze dat de grote slotstrijd tegen Christus en zijn Kerk is begonnen, maar dat de eindoverwinning aan de Moederkerk is (verg. ook Matth. 16,18 red.). In deze hevige slag waar hemel en aarde in betrokken zijn, treedt Zij van alle geestelijke legers als dè grote aanvoerster op. Zij zal de vorst van deze wereld de kop verpletteren (Gen. 3,15). Wat nog nooit is uitgebeeld in de kunst, zag de zienster. Ze was als een Jeanne d’Arc gezeten op een paard (boodschap van 3 jan. 1946). Zoals Jeanne d’Arc de Franse legers aanvoerde en naar de overwinning bracht, zo zal Zij alle Christus-legers aanvoeren en naar de eindzege brengen. Dan volgt een machtig reveil van één Kerk en dan pas komt het Einde van alles.


Maria en de Eucharistie, onlosmakelijk verbonden

‘De Amsterdamse Boodschap’ is ook eucharistisch. Wie haar leest, ontdekt dat vanzelf. De Moeder Gods noemt het Sacrament het grote wonder van elke dag, ieder uur, elke minuut (boodschap van 31 mei 1957). Nu eens hoort de zienster Haar zeggen ‘substantia’, dan weer ‘transsubstantiatie’. Ze waarschuwt voor de grote dwaalleringen omtrent dit Sacrament. Met nadruk hoort de zienster de woorden ‘géén gedachtenis’. Het is opvallend hoe centraal de Eucharistie wordt gesteld in heel ons geloof, het is dè bron van een verrijzend reveil.

Wat haar Belevenissen betreft, deze zijn uitsluitend eucharistisch. De zienster ziet de geconsacreerde Hostie wit-brandend, vloedgolven van licht verspreidend. Maria’s keuze om uit alle plaatsen van heel de wereld de stad Amsterdam te kiezen, is volgens haar eigen woorden vanwege het Mirakel (van 1345). Dit alleen zegt genoeg over een onderling verband. Daarom zal dit verslag in één van de volgende bulletins gevolgd worden door een meditatie over ‘het wonder van elke dag’.

Pater Amandus Korse O.F.M.

‘Vaarwel Christendom’ is verkrijgbaar in de winkel van de kapel

 


DE BOODSCHAPPEN


In 2003 herdenkt Nederland dat vijftig jaar geleden de zee het zuidwesten van zijn grondgebied binnendrong, waarbij velen het leven lieten door de verdrinkingsdood. In datzelfde 1953 lezen we in de boodschappen van 10 mei en 11 oktober
(In november 2002 is een herziene uitgave gemaakt van ‘de Boodschappen’ met een andere vormgeving om de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de tekst te bevorderen. De herziene uitgave is gebaseerd op een bandopname uit 1966 waarop Ida Peerdeman alle boodschappen heeft ingesproken en van commentaar voorzien. Dit is vervolgens uitgetypt en nadien door de zieneres doorgelezen en goedgekeurd. Zie toelichting herziene uitgave 2002, pag. 15.) :

46ste boodschap, 10 mei 1953

"Daar staat de Vrouwe voor mij. Zij zegt: ‘Ik kom vandaag een bijzondere boodschap brengen. Vraag aan de Heilige Vader of hij het gebed, dat Maria als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster onder de titel van de Vrouwe van alle Volkeren gegeven heeft aan de wereld, wil bidden en voorbidden aan de volkeren (Terwijl de Vrouwe dit zegt, ziet de zieneres een paus, maar het is niet paus Pius XII).
Zeg hem: Apostel van de Heer Jezus Christus, leer uw volkeren dit eenvoudige, maar zo diepzinnige gebed. Het is Maria, de Vrouwe van alle Volkeren, die u dit vraagt. Gij zijt de herder van de Kerk van de Heer Jezus Christus. Hoed uw schapen. Weet wel: grote dreigingen hangen over de Kerk, hangen over de wereld. Nu is het tijdstip gekomen waarop gij zult spreken over Maria als Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster onder de titel de Vrouwe van alle Volkeren… 53 Is het jaar van de Vrouwe van alle Volkeren. 53 Is het jaar waarop zij onder deze titel bekend zal moeten worden onder de volkeren. 53 Is het jaar waarin grote wereldgebeurtenissen en wereldcatastrofen zich zullen afspelen en dreigen."

47ste boodschap, 11 oktober 1953

"Ik zie de Vrouwe staan. Zij zegt: ‘Maria, de Vrouwe van alle Volkeren, wordt vandaag gezonden om de wereld, de Kerk van Rome en alle volkeren nogmaals te waarschuwen voor verwording, rampen en oorlog. De wereld leeft in verwording. Rampen zullen nog komen. De volkeren leven nog steeds in oorlog.’ Dan kijkt de Vrouwe voor zich heen en zegt heel langzaam en duidelijk: ‘Het jaar 53, dat is het jaar waarin de Vrouwe van alle Volkeren gebracht moet worden in de wereld’.


Het getal 53 heeft tot velerlei uitleg aanleiding gegeven. Het jaar 1953 kan er mee bedoeld zijn of een ander jaar, dat, gerekend wordt vanaf een bepaalde, nog onbekende datum (red.).

 



CITAAT Paus Johannes Paulus II


Op 6 november 1982 zei paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aan de Spaanse Stad Zaragoza:

‘Jezus heeft door zijn dood en verrijzenis bewerkstelligd dat zijn Vader onze Vader is (verg. Joh. 20,17). En om onze verbinding met Hem volkomen te maken, wilde Hij bovendien dat zijn heilige Moeder onze geestelijke Moeder zou worden.

Om dat moederschap meer dan een rechtstitel te laten zijn, vervulde en verwerkelijkte Hij dat moederschap naar Christus’ wil door een medewerken van Maria aan het heilswerk van Christus; dat wil zeggen aan het ‘weer herstellen van het bovennatuurlijk leven van de ziel’ (Lumen Gentium 61).

Zaragoza was de plaats waar Maria in haar sterfelijk lichaam verschenen is aan de apostel Jacobus; dus nog vóór haar Tenhemel Opneming, om hem te helpen bij de verbreiding van het christendom op het Iberische schiereiland.

 


CITAAT uit Catholica, 1955


‘Er is geen sprake van een ‘theologie’ der Moeder Gods, zolang de afzonderlijke geloofspunten omtrent Maria, die in de loop der tijden geëxpliciteerd werden, niet gebundeld worden rond haar actieve deelname aan het verlossingswerk, van welke deelname de fundamentele uiting haar goddelijk Moederschap is. Zo wordt er een verband gelegd tussen Maria’s persoonlijke privileges en haar zending in de Kerk en in de mensheid: zó wordt het Maria-mysterie één en beter assimileerbaar voor ons beschouwend verstand.’
(zoekwoord: theologie I,2)