| BULLETIN
18
Die eens
Maria was …
In
de boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren, die de
zieneres Ida Peerdeman van 1945 tot 1959 ontving, neemt
het gebed dat Maria als de Vrouwe van alle Volkeren op 11
februari 1951 gaf, een centrale plaats in.
Het gebed eindigt met de bede: ‘Moge de Vrouwe van
alle Volkeren, die eens Maria was, onze Voorspreekster zijn’.
De tussenzin ‘die eens Maria was’ heeft vanaf
het begin niet alleen verbazing maar ook wrevel en tegenstand
opgeroepen. Uitdrukkelijk geeft echter de Vrouwe in de boodschap
van 28 maart 1951 te kennen dat er niets in het gebed mag
worden gewijzigd en zegt ze: ‘Zo zal het verspreid
moeten worden. Aan de tekst van het voorgesproken gebed
mag niets veranderd worden’ en ‘“Die eens
Maria was”, dat blijft zo.’ Blijkbaar wil de
Vrouwe ons iets duidelijk maken en heeft zij een bijzondere
bedoeling met dit zinnetje, waarbij zij de controverse niet
schuwt.
Het is hierbij goed te bedenken
dat bij al de grote erkende Mariaverschijningen, in Rue
du Bac (Parijs), Lourdes, Fatima en op andere plaatsen,
de verschijning zichzelf nooit heeft kenbaar gemaakt onder
haar persoonlijke naam ‘Maria’. Ze openbaart
wie ze is altijd door een titel die onlosmakelijk verbonden
is met de verschijningsplaats en waaruit de speciale bedoeling
van de verschijning blijkt, zoals bijvoorbeeld in Lourdes
waar zij als ‘de Onbevlekte Ontvangenis’ is
verschenen. Elke verschijningsplaats heeft een heel eigen
boodschap die tot uitdrukking komt in de titel waaronder
Maria daar verschijnt. De titel openbaart een speciaal en
soms nieuw aspect van Maria, van wie zij is en wil zijn.
Dit geldt heel speciaal voor Amsterdam. Hier komt ze onder
een wel zeer universele titel, als de Vrouwe, de Moeder.
Dit wordt al aangegeven in de eerste boodschap, als de zieneres
de verschijning vraagt: ‘Bent u Maria?’. Daarop
glimlacht de ‘vrouw in het wit’ en antwoordt:
‘Zij zullen mij “de Vrouwe”, noemen, “Moeder”.’
Verder is het heel opmerkelijk dat
voor niet-katholieken en zeker voor niet-christenen het
zinnetje ‘die eens Maria was’ volstrekt geen
problemen oproept, maar juist verhelderend is, omdat het
voor hen duidelijk maakt wie de persoon is die de Vrouwe
van alle Volkeren wordt genoemd. In het ontkerstende Europa
is de associatie van deze titel en beeltenis met de naam
Maria zeker geen vanzelfsprekendheid meer en dit geldt nog
veel sterker voor de vele volkeren die niet in de christelijke
traditie zijn geworteld. Hier geldt dus het omgekeerde van
wat mensen met wél een katholieke achtergrond ervaren,
namelijk dat het zinnetje verduidelijkt en aanvult. Voor
hen is het gebed een kennismaking met Maria in haar mondiale
dimensie als de Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren waarin
de historische persoon van Maria als vanzelf wordt opgenomen.
Hieruit blijkt eens te meer de universele betekenis van
het gebed, dat immers bedoeld is voor de hele mensheid en
zeker niet alleen voor katholieken.
Voor
de katholieken vraagt dit zinnetje een hernieuwde bezinning
op Maria, op wie zij nú is. De specifieke formulering
van de laatste zin van het gebed, die bij velen verwondering
heeft gewekt, richt de aandacht op wie Maria nú
wil zijn. Het vraagt om een nieuw besef van de rol die
zij speelt in de schepping, verlossing en in de uiteindelijke
verwezenlijking van Gods plannen, en welke betekenis
zij heeft voor de mensheid in onze tijd.
De historische persoon van Maria was uitverkoren als
‘dienstmaagd van de Heer’ om op unieke wijze
deel te nemen aan het verlossingswerk, dat voerde naar
het kruis, waar zij zich verenigde met het Liefdesoffer
van haar Zoon. Christus maakte haar vanaf het kruis
tot Moeder van de mensheid, tot ‘de Vrouwe, Moeder
van alle Volkeren’ met de woorden: ‘Vrouw,
zie daar uw zoon.’ Vanaf dat moment droeg zij
de wereld in haar schoot zoals zij haar Zoon in haar
schoot had gedragen. De persoon van Maria transformeert
zich tot de Vrouwe, de Moeder van alle mensen, de universele
Vrouwe en Moeder aan wie alle mensen als haar kinderen
zijn toevertrouwd. Dit is de diepe zin van de afbeelding
en titel van de Vrouwe van alle Volkeren. |
|
Deze uitverkiezing wordt op bijzondere
wijze getoond in het dogma van Maria Tenhemelopneming. De
menselijke dimensie van Maria, haar historische leven van
tweeduizend jaar geleden, wordt opgenomen in een ‘hemelse
dimensie’ waarin zij mag delen in het goddelijk leven
van haar Zoon, zoals dat verwoord wordt in het dogma van
Maria Tenhemelopneming. Vanaf de proclamatie van dit dogma
op 1 november 1950 kan en mag zij op een nieuwe, hemelse
manier de mensheid tegemoet treden. Het is dan ook niet
toevallig dat pas na deze dogmaverklaring Maria in haar
volheid komt als ‘de Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren’.
Het is een direct antwoord op de dogmaverklaring. Zoals
ook de Vrouwe zelf bevestigt in de boodschap van 15 augustus
1951, op het feest van Maria Tenhemelopneming. Zij zegt
dan: ‘Ik kom vandaag als de Vrouwe van alle Volkeren.
Ik heb met mijn voet de slang verpletterd. Ik ben verenigd
geworden met de Zoon, zoals ik altijd verenigd was met Hem.
Dit, het dogma [van Maria Tenhemelopneming], is voorafgegaan
in de kerkgeschiedenis. Als Medeverlosseres, Middelares
en Voorspreekster sta ik nu in deze tijd, in onze tijd.
Het dogma der Opneming moest voorafgaan.’
Op een heel bijzondere manier wordt hiermee de verhouding
aangeduid tussen Hemel en Aarde. De Hemel wacht tot de Kerk
handelt, maar antwoordt onmiddellijk als de Kerk spreekt
bij monde van ‘Petrus’, die de macht gegeven
is, de sleutel, om de deuren te ontsluiten die naar onze
hemelse bestemming leiden.
De afkondiging van het dogma van de Tenhemelopneming van
Maria op 1 november 1950 door paus Pius XII vormt dus een
heel duidelijk markeringspunt in de Boodschappen van de
Vrouwe van alle Volkeren. De titel ‘de Vrouwe van
alle Volkeren’ wordt pas voor het eerst in de boodschap
van 16 november genoemd (de eerste boodschap na de dogmaverklaring).
De zieneres ziet dan de Vrouwe op de wereldbol staan. Zij
wijst op de wereldbol en zegt tegen de zieneres: ‘Kind,
ik sta op deze wereldbol, omdat ik de Vrouwe van alle Volkeren
genoemd wil worden.’ Vervolgens geeft zij in de boodschap
van 11 februari 1951 haar gebed en zegt ze: ‘Ik ben
de Vrouwe, Maria, Moeder van alle Volkeren. Je kunt zeggen:
de Vrouwe van alle Volkeren of Moeder van alle Volkeren,
die eens Maria was. Ik kom juist vandaag om je te zeggen
dat ik dit wil zijn. Mensenkinderen van alle landen zullen
toch één zijn.’
Pas nadat zij voor het eerst haar titel heeft genoemd, gebruikt
zij ook haar historische, persoonlijke naam ‘Maria’
of ook opvallend genoeg haar oorspronkelijke joodse naam
‘Mirjam’, een wel heel directe en unieke doorverbinding
met de persoon van de Heilige Maagd, zoals ze twee duizend
jaar geleden leefde in het Heilige Land.
In de boodschap van 2 juli 1951
legt de Vrouwe nader uit waarom ze deze zinsnede heeft gebruikt:
‘“Die eens Maria was’’ betekent:
vele mensen hebben Maria als Maria gekend. Nu echter wil
ik, in deze nieuwe periode die aankomt, de Vrouwe van alle
Volkeren zijn. Dat verstaat iedereen.’ In de boodschap
van 20 september 1951 zegt de Vrouwe: ‘Ik ben genoemd
Mirjam ofwel Maria. De Vrouwe van alle Volkeren wil ik nu
zijn.’
Steeds benadrukt ze in haar uitleg wie ze nú wil
zijn. De zinsnede ‘de Vrouwe van alle Volkeren, die
eens Maria was’ richt onze aandacht op wie Maria nú
is en op wat haar Tenhemelopneming werkelijk betekent voor
de mensheid. Zeker niet dat zij op een soort zetel boven
de wolken troont, maar veeleer dat zij opgenomen is in een
goddelijke dimensie van waaruit zij de Voorspreekster, de
Moeder van alle mensen is, die maar één doel
heeft: al haar kinderen naar haar Zoon, naar God brengen.
Met de proclamatie van het dogma van haar Tenhemelopneming
kan zij nu haar volle hemelse dimensie openbaren en vanuit
deze dimensie nu als de Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren
komen, om alle volkeren tot eenheid te brengen.
Zo blijkt de zinsnede
‘de Vrouwe van alle Volkeren, die eens Maria was’
een diepe betekenis te hebben. We zien op de afbeelding
en ontmoeten in het gebed en de boodschappen ‘de
Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren’. Niet als
een abstracte werkelijkheid maar als een persoon, die
geworteld is in de menselijke figuur van Maria. De Vrouwe
is als het ware de bloem waarvan de wortel gelegen is
in het menselijk leven van haar die wij kennen als de
historische persoon van Maria.
In haar Tenhemelopneming aanschouwen we reeds de hemelse
glorie van haar die komt als onze moeder. Zij zet nu
haar voeten op de aarde omdat zij de Vrouwe, Moeder
van alle Volkeren wil zijn en ons wil brengen naar diezelfde
volheid, naar de voleinding van de schepping, een voltooiing
die zich in Maria als de Vrouwe en Moeder van alle Volkeren
al voltrokken heeft.
Zij wil niet alleen gekend worden als de Maria die twee
duizend jaar geleden haar leven in totale overgave aan
God heeft geleefd, maar als de Vrouwe, die vanaf de
aanvang van Gods schepping uitverkoren was om het Moederschap
van God te dragen en volledig te participeren in het
werk van de verlossing tot in de uiteindelijke voltooiing
van de schepping toe. Zo weerspiegelt zij, die eens
Maria was, ‘de Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren’,
het vrouwelijk beeld van God, een universeel beeld dat
zowel in haar vrouw-zijn als in haar moeder-zijn tot
uiting komt. |
|
De Hemelse Vrouwe, zoals we haar
kennen uit de Apocalyps, versus de aardse Maria, zoals we
haar kennen uit de evangeliën. Niet als tegenstelling
maar als voltooiing van haar historisch leven. De Vrouwe,
zoals we haar kennen uit het evangelie van Johannes. De
nieuwe Eva, die de kop van de slang verplettert, zoals beschreven
in Genesis. Al die aspecten worden weergegeven en verenigd
in deze titel, in haar, de Vrouwe, de Moeder van alle Volkeren,
die eens Maria was. In het aardse leven van Maria ligt als
in een bloemknop haar uiteindelijke hemelse majesteit vervat.
Zij is een hemelse roos die zich langzaam opent, die haar
wortels heeft in Gods eeuwige scheppingsplan, die ontkiemd
is in de aarde, die zich in het Licht openplooit en uiteindelijk
de stralende volheid van haar vrouwelijk wezen toont.
P.v.Veen/Ch.v.Soelen
|