 |
Bisdom van Haarlem
|
De kerkelijke positie inzake de verschijningen
van de Vrouwe van alle Volkeren
Een publicatie van de begeleidingscommissie
Haarlem, 25 oktober 2002
Na
de verklaring van de bisschop van Haarlem d.d. 31 mei 2002 met
betrekking tot de authenticiteit van de verschijningen van de
H. Maagd Maria als de Vrouwe van alle Volkeren in Amsterdam gedurende
1945 - 1959, zijn er verschillende media publicaties verschenen
die de kerkelijke positie trachten weer te geven. Enkele van deze
publicaties zijn onvolledig en bevatten onjuistheden. De begeleidingscommissie
geeft onderstaand een bijdrage aan een juiste weergave van het
verloop van de kerkelijke positie, zich baserend op het voorhanden
zijnde materiaal in het archief van het bisdom Haarlem.
Volgens
kerkelijke principes en richtlijnen is het primair aan de locale
bisschop om zich over de authenticiteit van een private openbaring
in zijn diocees uit te spreken. De Congregatie voor de Geloofsleer
kan dit later bevestigen, maar dit hoeft niet te gebeuren. Bij
zijn beoordeling staan de locale bisschop normaliter drie kwalificaties
ter beschikking: 'Constat de supernaturalitate', dat wil zeggen
een bovennatuurlijke oorsprong staat vast. 'Non constat de supernaturalitate',
dat wil zeggen een bovennatuurlijke oorsprong staat niet vast.
'Constat de non supernaturalitate', dat wil zeggen het staat vast
dat er geen bovennatuurlijke oorsprong is. Naast deze uitspraken
over de authenticiteit kunnen disciplinaire uitspraken worden
gedaan. Het is niet ongebruikelijk dat in de loop van de tijd
meer dan één uitspraak wordt gedaan in een bepaalde
zaak.
De
verschijningen en de devotie hebben in de loop van ruim vijftig
jaar de aandacht van achtereenvolgens de vijf bisschoppen van
Haarlem gehad. Tweemaal is er een periode van intenser onderzoek
geweest, eerst onder Mgr. Huibers en de tweede keer onder Mgr.
Zwartkruis.
I.
Mgr. J.P. Huibers, 1935-1960
Na
een eerste intensieve onderzoeksfase deelde Mgr. Huibers in 1956
in zijn verklaring het oordeel van zijn onderzoekscommissie mee
(Analecta 7-5-1956). Deze was van oordeel dat er geen bovennatuurlijke
verklaring aan de verschijningen gegeven kon worden. De onderzoekscommissie
stelde in haar rapportage dat het onderzoek nog niet was afgerond.
De bisschop zelf deed geen eigen uitspraak over de authenticiteit,
noch op grond van het oordeel van de commissie, noch op grond
van zijn eigen overtuiging. Hij beperkte zich tot een disciplinaire
uitspraak en hij herhaalde zijn positie van 1954 en 1955: verbod
van de publieke devotie. Zijn disciplinaire maatregel werd bevestigd
door het H. Officie op 13 maart 1957. Het H. Officie liet daarbij
weten dat zij niet uitsloot dat in de toekomst nieuwe informatie
zou worden aangeleverd.
In
de jaren hierna werden nieuwe ervaringen van de zieneres opgetekend
en aan de bisschop doorgegeven. De bisschop betwijfelde nu de
door de commissie gevolgde procedure en haar oordeel en overwoog
het onderzoek te heropenen. Na briefwisseling met de consultor
van het H. Officie bleef een besluit hierover uit. Mgr. Huibers
bleef zijn aandacht geven aan de kwestie. Na zijn terugtreden
(1960) groeide bij Mgr. Huibers, blijkens correspondentie en getuigenissen,
de overtuiging dat de verschijningen authentiek waren.
II.
Mgr. A.E. van Dodewaard, 1960-1966
Mgr.
Van Dodewaard nam op zijn beurt kennis van het dossier. Alle als
verschijningen gekenschetste ervaringen van de zieneres, die tot
31 mei 1959 doorgingen, waren dan opgenomen in het dossier. In
de ogen van vier theologieprofessoren was de zaak onvoldoende
onderzocht en zij benadrukten het feit dat het nog niet was afgerond.
In 1961 richtten zij zich tot de Paus met de vraag het onderzoek
te heropenen. Het bisdom ontving hierop een brief van het H. Officie,
getekend Parente, assessor (25 augustus 1961), waarin gesteld
werd dat er geen plaats overbleef voor enige verdere actie. Men
hield vast aan de uitspraak van de bisschop van 1956 en de bevestiging
daarvan door het H. Officie van 1957.
In de media circuleert nu een misleidende weergave van deze brief.
In de brief van het H. Officie van 25 augustus 1961 komen namelijk
de woorden 'de zaak is definitief afgesloten…' en '…de boodschappen
zijn vals en blijven verboden voor publicatie…' niet voor. Dergelijke
publicaties zorgen voor onnodige verwarring.
Het bleef dus bij een disciplinaire uitspraak. Wat de authenticiteit
betreft was er feitelijk sprake van een 'non constat'.
III.
Mgr. Th.H.J. Zwartkruis, 1966-1983
Mgr.
Zwartkruis besloot het onderzoek wel te heropenen en stelde in
1967 een commissie in. Hij deed dat in overleg met de Congregatie
voor de Geloofsleer. De Congregatie kwam hiermee terug op haar
standpunt van 1961 dat voor enige verdere actie geen plaats overbleef.
Mgr. Zwartkruis deelde in zijn verklaring (29-1-1973), evenals
zijn voorganger Mgr. Huibers, het advies en de overwegingen van
zijn commissie mee. De commissie neigde naar een natuurlijke verklaring
van de gebeurtenissen, doch adviseerde de publieke verering toe
te staan. De bisschop deed evenmin als zijn voorgangers een officiële
uitspraak over de authenticiteit van de verschijningen, maar nam
het advies en de overwegingen van de commissie over. Hij beperkte
zich evenals zijn voorganger Mgr. Huibers, tot disciplinaire maatregelen.
Nieuw ten opzichte van zijn voorgangers was de intentie van Mgr.
Zwartkruis de publieke verering toe te staan. Na dit te hebben
voorgelegd aan de Congregatie voor de Geloofsleer "die indertijd
de genoemde beperkende maatregelen van Mgr. Huibers had bekrachtigd",
werd besloten vast te houden aan de disciplinaire situatie van
1956. In mei 1974 stuurt de Congregatie de bisschop van Haarlem
een brief (Analecta augustus 1974), wijzend op de "getroffen
maatregelen" van 1956 en het gegeven dat "de bovennatuurlijke
oorsprong van de verschijningen niet vaststond". Wat betreft
de authenticiteit bleef de feitelijke 'non constat' situatie dus
in stand. Dit werd in 1987 door kardinaal Ratzinger in een brief
aan kardinaal Vachon van Québec nog eens bevestigd.
IV.
Mgr. H.J.A. Bomers, 1983-1998
In
de jaren na deze uitspraak werd het dossier nog met veel nieuw
materiaal aangevuld. Mgr. Bomers, de opvolger van Mgr. Zwartkruis,
nam op zijn beurt kennis van het dossier en verdiepte zich persoonlijk
in de zaak. Evenals zijn voorgangers had ook hij persoonlijk contact
met de zieneres. De devotie was inmiddels wereldwijd verspreid.
In 1996 ging Mgr. Bomers samen met zijn hulpbisschop Mgr. J.M.
Punt, na overleg met de Congregatie, over tot het vrijgeven van
de openbare devotie en deed verder geen uitspraak over de authenticiteit.
Daarmee ging een nieuwe fase in.
De devotie groeide sterk en steeds dringender werd aan de lokale
bisschop de vraag gesteld, zich duidelijk over de authenticiteit
uit te spreken. De tijd en verdere ontwikkelingen hadden inmiddels
ook een nieuw licht op de verschijningen geworpen en een definitieve
uitspraak, constat of constat non was nog steeds niet gedaan.
V.
Mgr. J.M. Punt
Mgr.
Punt, intussen bisschop van Haarlem, werd geconfronteerd met deze
nieuwe ontwikkelingen waarbij de zaak van de Vrouwe van alle Volkeren
een hernieuwde actualiteit kreeg. Na ruim 50 jaar met 2 intensieve
onderzoeksfasen achtte hij een nieuw onderzoek niet meer mogelijk:
De zieneres was inmiddels overleden. Alle mogelijke pro en contra
argumenten waren voldoende gedocumenteerd. Hij heeft derhalve
de bestaande onderzoeken opnieuw bestudeerd en de resultaten nogmaals
aan enkele theologen en psychologen voorgelegd, en advies gevraagd
over verdere ontwikkelingen en vruchten aan collega-bisschoppen.
Dit
heeft hem na gebed en theologische reflectie tot de vaststelling
gebracht, dat in de verschijningen van Amsterdam een bovennatuurlijke
oorsprong gegeven is.
Deze erkenning van de authenticiteit deelde hij mee in een officiële
verklaring gedateerd op 31 mei 2002.
In
de verklaring zelf en de begeleidende pastorale brief maakt hij
daarbij de volgende aantekeningen:
- De
erkenning betreft de verschijningen van Maria als de Vrouwe
van alle Volkeren uit de jaren 1945 - 1959. Deze hebben in het
bijzijn van derden plaatsgevonden en zijn direct opgeschreven.
- De
bisschop erkent deze als in wezen authentiek, van een bovennatuurlijke
oorsprong. Hij stelt daarbij dat de invloed van de menselijke
factor blijft bestaan, de mogelijkheden en beperkingen van de
schouwende persoon hun invloed kunnen doen gelden.
- De
bisschop brengt in herinnering dat een private openbaring nooit
bindend is voor het geweten van de gelovige. Ieder blijft vrij
deze devotie een plaats te geven in zijn of haar geloofsleven
of niet.
De
bisschop heeft een begeleidingscommissie benoemd om de ontwikkeling
van de devotie te volgen en tot een verdiept inzicht te komen
in de betekenis ervan. Dit alles om de correcte kerkelijke en
theologische voortgang van de devotie te bevorderen.
Haarlem,
25 oktober 2002
Raphaël
Soffner
Coördinator van de begeleidingscommissie
|